Die beschrijving noemt naast Porter analyse en five forces uitdrukkelijk ook het vijfkrachtenmodel, plus gewone vragen die mensen echt stellen: hoe aantrekkelijk is deze markt, moet ik deze sector ingaan, wat is mijn concurrentiepositie, wie zijn mijn concurrenten echt, hoeveel macht hebben mijn leveranciers, wat zijn substituten, hoe groot is de toetredingsdrempel, wat is de winstgevendheid van deze branche. Ook situaties zijn triggers: twijfel over een markt, due diligence, het concurrentiehoofdstuk van een businessplan, en het moment waarop een ondernemer een investering of een pivot overweegt.
Daarna volgt het basisprincipe in een paar zinnen: Porter stelde in 1979 dat de structuur van de markt de winstgevendheid bepaalt, niet de identiteit van de spelers. Vervolgens komen de vijf krachten in hun vaste volgorde langs, en de conclusie staat er meteen bij. Hoe sterker de krachten, hoe lager de gemiddelde winstgevendheid in de sector.
Voordat er iets geanalyseerd wordt, komt de verplichte inputverzameling. Claude vraagt of bevestigt vier dingen: de exacte sector, niche of markt, de geografische scope, het bedrijfsmodel van de gebruiker en de relevante tijdshorizon. Bij die eerste staat in het bestand een leerzaam voorbeeld dat laat zien hoe scherp het moet: online boekhoudsoftware voor zzp-ers in Nederland is goed, alleen boekhouden is dat niet. Ontbreekt er informatie, dan stelt Claude maximaal drie gerichte vragen en gaat hij daarna aan de slag. Dat maximum is er niet voor niets: een skill die tien vragen stelt voordat hij iets doet, wordt niet gebruikt.
De output heeft negen vaste kopjes, in vaste volgorde. Eerst de sectordefinitie in twee zinnen, met wie er wel en niet meespeelt. Dan de vijf krachten, elk op de schaal 1 voor zwak tot 5 voor sterk, elk met een eigen lijst toetspunten en de instructie om per punt één zin met een conclusie te geven en af te sluiten met een scorerapport en wat dat voor jou betekent. Samen zijn dat 27 toetspunten: zeven bij de toetreders, vijf bij de leveranciers, zes bij de afnemers, vier bij de substituten en vijf bij de rivaliteit. Daarna komt kopje zeven, de totaalscore en de sectoraantrekkelijkheid, kopje acht met minimaal drie strategische implicaties, en kopje negen dat Pas op voor heet.
Achteraan staan acht schrijfregels en een bronvermelding. De regels: wees concreet en sectorspecifiek zonder algemene blabla, gebruik echte voorbeelden uit de sector, wees eerlijk over onzekerheid, geef altijd een numerieke score per kracht, sluit altijd af met praktische acties, schrijf helder Nederlands zonder managementtaal, vermijd buzzwords als synergie en leverage, en blijf onder de 1500 woorden. De bronnen zijn de drie publicaties van Porter zelf: het artikel uit 1979 in Harvard Business Review, het boek Competitive Strategy uit 1980 en de herziening uit 2008. Wil je zelf zo'n instructiebestand leren schrijven, dan staat de methode in SKILL.md schrijven.